kruisiging-medische-benadering
DE KRUISIGING VAN JEZUS
C. Truman Davis, M.D., M.S.
Arizona Medicine
Jaargang 22, Nr. 3
Maart 1965
In deze tekst zal ik enige lichamelijke aspecten bespreken van de passie, of het lijden van Jezus Christus. Wij zullen Hem als het ware volgen van Gethsemane, naar zijn berechting, zijn geseling, de Via Dolorosa (kruisweg), tot en met zijn laatste uren aan het kruishout.
Ongeveer een jaar geleden kreeg ik interesse voor dit onderwerp toen ik een verhandeling over de kruisiging las van de hand van Jim Bishop, "The Day Christ Died". Toen realiseerde ik mij ineens dat de kruisiging niet meer zo een indruk op mij maakte - ik was de laatste jaren ongevoelig geworden voor het gruwelijke ervan omdat ik het verhaal al zo vaak had gehoord - en omdat mijn relatie met Hem wat meer afstandelijk was geworden. Het drong tot me door dat ik als arts niet eens de directe doodsoorzaak wist. De auteurs van de vier evangeliën zijn niet erg duidelijk hierover omdat kruisiging en geseling zo vaak plaatsvonden in hun dagen dat zij het niet nodig vonden om een nauwkeurige beschrijving te geven. Wij hebben alleen de beknopte woorden: "Nadat Pilatus Jezus had laten geselen, gaf hij Hem aan hen over om Hem te laten kruisigen - en zij kruisigden Hem."
Ik ben velen erkentelijk voor hun aandacht voor het onderwerp, in het verleden, en met name een collega uit onze tijd, Dr. Pierre Barbet, een Franse chirurg die een diepgaand geschiedkundig en experimenteel onderzoek heeft verricht en veel over het onderwerp heeft geschreven.
Ik acht mijzelf niet in staat om het mentale en geestelijke lijden van de vleesgeworden Godheid te bespreken; maar laten wij de fysiologische en anatomische aspecten van het lijden van onze Heer nader bestuderen … welke beproevingen onderging het lichaam van Jezus van Nazareth gedurende de uren dat Hij werd gemarteld?
Eerst heb ik de praktijk van het kruisigen bestudeerd; Dat wil zeggen de marteling en executie van een persoon door deze aan een kruis vast te maken. Voor zover bekend zijn de Perzen de eersten die het kruisigen in praktijk brachten. Alexander de Grote en zijn generaals brachten het idee over naar het gebied rond de Middellandse Zee - Egypte en Carthago. De Romeinen hebben de praktijk afgekeken van de inwoners van Carthago en hebben deze zelfs "verbeterd", efficiënter gemaakt. Een aantal Romeinse schrijvers (Livius, Cicero, Tacitus) hebben erover geschreven. In de oude manuscripten worden verschillende vernieuwingen en wijzigingen beschreven. Voor ons betoog zal ik er enkele noemen. Op het rechtopstaande gedeelte van het kruis ('stipes' genaamd) werd het horizontale gedeelte ('patibulum') ongeveer 60 tot 90 cm onder de top bevestigd. De meesten van ons denken dat dit type (het zogenaamde 'Latijnse' kruis) in de tijd van Jezus werd gebruikt, maar in die dagen was een T-vormig kruis gangbaar. Het patibulum werd in een gleuf boven op de stipes gezet. Er zijn erg veel aanwijzingen uit opgravingen dat Jezus op een T-vormig kruis is gekruisigd. Het rechtopstaande gedeelte (stipes) stond vast in de grond waar executies plaatsvonden en werd niet verplaatst of neergehaald. De veroordeelde werd gedwongen om het patibulum te dragen, een gewicht van ongeveer 50 kilogram, van de gevangenis tot de plaats van de executie. Schilders in de middeleeuwen en de renaissance hebben ons een beeld gegeven van Christus die het kruis in zijn geheel draagt, maar er is geen enkel historisch of bijbels bewijs hiervoor. Ook geven veel van deze schilders en de meeste hedendaagse beeldhouwers van crucifixen ons een beeld van handpalmen met spijkers erdoor. Uit Romeinse geschriften en experimenteel onderzoek blijkt echter dat de spijkers tussen de handwortelbeentjes in de pols werden geslagen en niet door de handpalmen. Spijkers door de handpalmen zouden het gewicht van een mens niet kunnen dragen, ze zouden tussen twee vingerstralen door naar buiten komen. Misschien is dit misverstand ontstaan door een verkeerde interpretatie van Jezus' woorden tegen Thomas: "Kijk naar mijn handen." In de anatomie van vroeger en nu geldt de pols als een deel van de hand.
Bij de optocht werd een 'titulus' (bordje waarop de overtreding van de veroordeelde stond vermeld) vooraan in de stoet gedragen en dit bordje werd later aan het kruis gespijkerd, boven het hoofd van de veroordeelde. Door dit bordje met stang aan de bovenzijde van het kruis zou het T-kruis wel wat op een klassiek 'Latijns' kruis kunnen lijken.
Het fysieke lijden van Christus begint in Gethsemane. Dit eerste lijden heeft vele aspecten waarvan ik slechts een zal bespreken die om fysiologische redenen interessant is: het bloedzweten. Het is opmerkelijk dat alleen Lucas, de arts, dit fenomeen noemt. Hij zegt: "Hij had het buitengewoon moeilijk en bad daarom langdurig. En zijn zweet werd als bloeddruppels die op de grond vielen."
Moderne wetenschappers hebben zich in allerlei bochten gewrongen om deze uitspraak weg te redeneren, er blijkbaar van uitgaand dat zoiets nu eenmaal niet voorkomt.
Zij hadden zich al die moeite kunnen besparen door de medische literatuur te raadplegen. Het fenomeen hematidrose (bloedzweten) is een bewezen feit, hoewel het zelden voorkomt. Bij zeer grote emotionele stress kunnen de allerkleinste bloedvaatjes ('capillairen') in de zweetkliertjes barsten waardoor bloed en zweet worden vermengd. Alleen al door dit proces zou grote zwakheid en zelfs shock hebben kunnen ontstaan.
Wij slaan het verraad en de arrestatie over; nogmaals, belangrijke gedeelten van het passieverhaal ontbreken in deze bespreking omdat ik het alleen over de lichamelijke aspecten van het lijden wil hebben. Na zijn arrestatie rond middernacht werd Jezus voor het Sanhedrin gebracht en voor Kajafas, de Hogepriester. Hier werd voor het eerst een fysieke verwonding toegebracht. Een soldaat sloeg Jezus in het gezicht omdat Hij niet antwoordde op de vragen van Kajafas. De wachters van het paleis hebben Hem toen geblinddoekt, en Hem bespot door Hem uit te dagen om hen stuk voor stuk te identificeren toen zij langsliepen, Hem bespuwden en in zijn gezicht sloegen.
's Ochtends vroeg werd Jezus na een slapeloze nacht, mishandeld en uitgedroogd, door Jeruzalem overgebracht naar het Praetorium van de vesting Antonia, de regeringszetel van de Procurator van Judea, Pontius Pilatus. U bent natuurlijk op de hoogte van de poging van Pilatus om de verantwoordelijkheid te leggen op de schouders van Herodes Antipas, de Tetrarch van Judea. Naar alle waarschijnlijkheid werd Jezus niet lichamelijk mishandeld bij Herodes, en daarna werd Hij teruggestuurd naar Pilatus. Toen besloot Pilatus, als reactie op het geschreeuw van de menigte, om Barabbas vrij te laten en Jezus te veroordelen tot geseling en kruisiging. Er is veel verschil van mening over geseling als straf voorafgaand aan kruisiging. De meeste Romeinse schrijvers uit deze periode geven geen associatie aan tussen deze twee vormen van straf. Veel wetenschappers geloven dat Pilatus aanvankelijk bevel gaf Jezus te geselen als zijn volledige straf en dat de doodstraf door kruisiging alleen werd gegeven als reactie op de beschuldiging van de menigte dat de Procurator Caesar onvoldoende verdedigde tegen deze oplichter die beweerde de Koning van de Joden te zijn.
De geseling wordt als volgt voorbereid. De gevangene wordt uitgekleed en zijn handen worden boven zijn hoofd vastgebonden aan een paal. Het is zeer de vraag of de Romeinen nog enige poging gedaan hebben om de Joodse wet met betrekking tot geselen te respecteren. De Joden hadden een oude wet die voorschreef dat niet meer dan veertig slagen gegeven mochten worden. De Farizeeën zorgden altijd dat de Joodse wetten strikt werden nageleefd en eisten daarom niet meer dan negenendertig slagen. (Bij een verkeerde telling waren zij dan nog steeds zeker dat deze wet niet werd overtreden). De Romeinse legionair stapt naar voren met de flagrum (of flagellum) in de hand. Dit is een korte zweep met een aantal zware leren repen en aan het einde van elke reep twee loden balletjes die aan het leer zijn vastgemaakt. Met deze zware gesel wordt keer op keer met volle kracht op Jezus' schouders, rug en benen geslagen. Aanvankelijk halen de zware repen alleen de huid open. Daarna worden er striemen in het onderhuidse bindweefsel geslagen, waardoor eerst bloed uit de haarvaten en aders sijpelt, en uiteindelijk spuit het bloed uit de slagaders in de onderliggende spieren. De loodballetjes geven aanvankelijk grote diepliggende builen die door latere slagen worden opengebroken. Op het laatst hangt de huid van de rug in lange repen naar beneden en het gehele gebied is een onherkenbare massa gescheurd en bloedend weefsel. Pas als de centurion die de leiding heeft van mening is dat de gevangene bijna dood is, wordt de geseling gestopt.
Tegen deze tijd is Jezus bijna bewusteloos. Zijn handen worden losgemaakt en Jezus zakt in elkaar op de stenen tegels. De Romeinse soldaten vinden het heel vermakelijk dat deze Jood van het platte land zichzelf een koning noemt. Zij gooien een mantel over zijn schouders en drukken Hem een stok in de hand dat zijn scepter moet voorstellen. Hij mist alleen nog een kroon. Hiervoor nemen zij een bundeltje buigzame takken met lange doornen (gewoonlijk gebruikt als brandhout) en vlechten er een kroon van die zij op zijn hoofd drukken. Ook dit leidt tot overvloedig bloeden (onder de huid van de kruin zitten erg veel bloedvaten). Na bespotting en slagen in het gezicht, nemen de soldaten de stok uit zijn hand en slaan Hem ermee op het hoofd waardoor de doornen nog dieper indringen. Tenslotte hebben zij genoeg van hun wrede spel en scheuren de mantel van zijn rug. Deze zat vastgebakken aan de bloedstolsels en het wondvocht, en de ruwe verwijdering geeft hevige pijn als bij onvoorzichtig lostrekken van een wondverband … Het was haast alsof Hij opnieuw werd gegeseld - en de wonden beginnen weer te bloeden. Tegen de gewoonte van de Joden, geven de Romeinen Hem zijn kleren terug. Het zware patibulum van het kruis wordt Hem op de schouders gebonden en een stoet bestaande uit de veroordeelde Christus, twee dieven en een detachement Romeinse soldaten met een centurion aan het hoofd, begint langzaam door de Via Dolorosa te lopen. Ondanks pogingen om rechtop te lopen, wordt Jezus door zwakheid overmand. Het gewicht van de zware houten balk in combinatie met shock door veel bloedverlies is teveel: Hij struikelt en valt. Het ruwe hout drukt op de verscheurde huid en spieren van de schouders. Hij probeert op te staan maar zijn ledematen functioneren niet. De centurion wil snel doorgaan met de kruisiging en haalt een stevig gebouwde Noord-Afrikaan, Simon van Cyrene, uit de toekijkende menigte en laat hem de kruisbalk dragen. Jezus volgt bloedend en zweterig, het koude klamme zweet van shock. Uiteindelijk zijn de 600 meter van de Antonia-vesting naar Golgotha afgelegd. Wederom wordt de gevangene van zijn kleding ontdaan - behalve een lendendoekje dat voor de Joden is toegestaan.
De kruisiging begint. Wijn vermengd met mirre, een licht pijnstillende drank, wordt aan Jezus aangeboden. Hij weigert dit te drinken. Simon wordt bevolen het patibulum op de grond te leggen en Jezus wordt snel achterover gegooid met zijn schouders tegen het hout aan. De legionair voelt naar het kuiltje aan de voorzijde van de pols. Hij slaat een zware vierkante smeedijzeren spijker door de pols en diep in het hout. Snel pakt hij de andere pols en doet aan die kant hetzelfde, waarbij hij de armen niet te strak spant zodat het mogelijk is deze nog enigszins te buigen. Het patibulum wordt dan op de stipes gezet, en de titulus "Jezus van Nazareth, Koning van de Joden" wordt eraan vastgemaakt.
De linker voet wordt naar achteren gedrukt, tegen de rechter voet aan, beide voeten in strekstand. Een spijker wordt door beide voeten geslagen, ter hoogte van de voetholte, met beide knieën in een lichte buigstand. Het slachtoffer is nu aan het kruis geslagen. Hij zakt langzaam naar beneden waarbij meer gewicht op de spijkers in de polsen komt te rusten, dit geeft een felle intense pijn door de vingers en de armen tot in het hoofd - de spijkers in de polsen drukken op de nervi mediani (zenuwen in de arm). Om deze pijn door uitrekken te vermijden, drukt Hij zich omhoog waarbij Hij zijn volle gewicht op de spijker in zijn voeten zet. Dit geeft weer intense pijn doordat de spijker de zenuwen tussen de middenvoetsbeentjes beschadigt.
Er treedt nu ook een ander fenomeen op. Als de armen moe worden, raken de spieren verkrampt en dit geeft een diepe kloppende pijn waar Hij niets tegen kan doen. Door de spierkrampen kan Hij zich niet meer omhoog drukken. Hij hangt aan zijn armen, de borstspieren zijn verlamd en de tussenribspieren werken ook niet meer. Hij kan wel inademen maar niet meer uitademen. Jezus vecht om zich omhoog te drukken al is het maar voor even, voor een korte ademteug. Tenslotte blijft zoveel kooldioxide in de longen en het bloed achter dat de spierkrampen iets minder worden. Hij is dan in staat om zich op een spastische manier omhoog te drukken en uit te ademen, voor een volgende inademing. In deze ademperioden zal Hij zijn zeven korte uitspraken aan het kruis gedaan hebben:
De eerste uitspraak doet Hij terwijl Hij neerziet op de Romeinse soldaten die dobbelen om zijn onderkleed dat uit een stuk is gemaakt: "Vader vergeef het hen, want zij weten niet wat zij doen."
De tweede, tegen de berouwvolle dief: "Vandaag zal je met Mij zijn in het paradijs."
De derde, neerziende op de angstige, intens verdrietige jongeman, Johannes (de geliefde apostel): "Zie, je moeder," en tegen Maria zijn moeder: "Vrouw, zie uw zoon."
De vierde uitspraak is identiek aan het begin van Psalm 22: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?"
De niet aflatende pijn, de cycli van ernstige spierkrampen en gedeeltelijke verstikking, pijnscheuten door het op en neer schuren van zijn kapotte rug tegen het ruwe hout, dit alles duurt enkele uren. Op een gegeven moment begint de laatste fase, de doodstrijd. Er ontstaat een diepe pijn op de borst, een gevoel alsof Hij wordt verpletterd, het vlies rondom het hart (het hartzakje) vult zich namelijk langzaam met vocht dat uit de weefsels treedt, en het hart wordt in elkaar gedrukt.
Dit doet ons weer denken aan Psalm 22 (vers 14): "Ik word als water uitgegoten, al mijn beenderen zijn ontwricht: mijn hart is als was, het smelt in mijn binnenste."
Het is nu bijna afgelopen - het verlies van vloeistof uit de weefsels is kritiek geworden - het samengedrukte hart probeert uit alle macht nog het dikke stroperige bloed door het lichaam te pompen - de longen krijgen maar af en toe mondjesmaat lucht toegevoerd. De ernstig uitgedroogde weefsels sturen hun prikkels naar de hersenen.
Jezus perst zijn vijfde uitspraak eruit: "Mij dorst!"
Dit doet ons nogmaals aan Psalm 22 denken: "Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; U hebt mij in het stof van de dood neergelegd."
Er wordt een spons gedrenkt in Posca, een goedkope zure wijn die vaak door de Romeinse legionairs wordt gedronken, naar Jezus' lippen gebracht. Hij weigert deze aan te raken. Zijn lichaam is nu de dood nabij, en Hij voelt de kilte van de dood door zijn lichaam kruipen. Hij beseft zijn toestand en fluistert de zesde uitspraak:
"Het is volbracht."
Zijn opdracht van verzoening is volbracht. Hij kan nu eindelijk toestaan dat zijn lichaam sterft.
Met een laatste krachtsinspanning drukt Hij zijn lichaam omhoog, steunend op de spijker door zijn kapot gescheurde voeten, strekt zijn benen, neemt een zo groot mogelijke ademteug en brengt zijn zevende en laatste uitspraak voort: "Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest."
De rest weet u. Om de Sabbat niet te ontheiligen, verzochten de Joden dat de veroordeelden van de kruisen zouden worden gehaald. De gewone manier om een kruisiging vroegtijdig te beëindigen was de botten van de benen breken. Hierdoor kon het slachtoffer zich niet meer omhoog drukken. Het was onmogelijk om de spanning in de borstspieren te verminderen, en de persoon stikte snel. De benen van de twee dieven werden gebroken, maar toen zij bij Jezus kwamen, zagen zij dat dit bij Hem niet meer nodig was.
Blijkbaar wilde de legionair zeker weten dat Jezus dood was, want hij stootte zijn lans door de ruimte tussen de vijfde en zesde rib omhoog door het hartzakje tot in het hart. In vers 34 van hoofdstuk 19 van het evangelie volgens de apostel Johannes staat: "En onmiddellijk stroomde bloed en water naar buiten." Dit betekent dat waterig vocht uit het 'zakje' rondom het hart stroomde en bloed uit het hart zelf. Door deze hartsteek bij de overleden Christus hebben wij dus een zo goed als sluitend bewijs dat Onze Heer niet gestorven is op de normale manier die bij kruisiging optreedt. In plaats van verstikking is de directe doodsoorzaak hartfalen door de combinatie van shock en samendrukking van het hart (door vloeistof in het hartzakje).
Het is volkomen begrijpelijk dat wij ons terneergeslagen voelen als wij zien hoe erg Onze Heer door de handen van mensen heeft geleden, tot de dood. Laten wij echter ook dankbaar zijn dat het hier niet mee ophoudt, maar dat de Christus uit de dood is opgestaan op de ochtend van Pasen, en dat de oneindige genade van God tot ons mensen is gekomen: verzoening tussen God en mensen en eeuwig leven door het nieuwe verbond in het kostbare bloed van Jezus dat de zonden wegneemt!